Het Geneefse Psalter - ontstaan 

 

[korte versie] [lange versie] [up]

De Psalmen van Marot en hun muzikale succes. 

            … en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
                              
                (M. Nijhoff, uit het gedicht ‘De moeder de vrouw’)

Psalmen zijn gebeden uit de joodse religieuze traditie (tehilliem). In de bijbel zijn er ca. 150 bijeengebracht. Deze verzameling is enkele eeuwen voor het begin van onze jaartelling afgesloten en bevat heel divers materiaal uit de eeuwen daarvoor, waarvan de oudsten worden toegeschreven aan David (de dichter-koning van Israel, die ongeveer 1000 jaar voor Christus leefde). Joodse gelovigen vonden hier woorden om zich tot God te keren in het dagelijks gebed, liederen om te zingen terwijl ze op bedevaart waren naar de tempel, en gezangen voor de liturgie. Jezus van Nazareth, die een geboren Jood was, is met deze gebeden opgegroeid en met een Psalm op z’n lippen gestorven. De eerste christelijke gemeenschappen, bestaande uit Joden, bleven diezelfde Psalmen bidden en zingen. Ook toen de christelijke kerk vervreemdde van haar Joodse wortels, bleef dit het geval.

De grote populariteit van de Psalmen leidde er al snel toe dat ze alle 150 elke week gebeden/gezongen werden in kloosters en kapittelkerken tijdens de vaste dagelijkse gebedstijden (het getijden-gebed). Delen ervan klonken als responsoria en antifonen in diverse kerkdiensten, en op kerkelijke feestdagen beleed de kerk haar geloof met behulp van Psalmen. In de Middeleeuwen circuleerden er ook meditatieboeken bedoeld voor het privégebed (Horae, in het Latijn, of Heures in het Frans), waarin naast kalenders van feestdagen, gebeden, altijd ook een selectie Psalmen voorkwam. Deze getijdenboeken werden geproduceerd in kloosters en soms prachtig versierd; ze waren bedoeld voor de bovenlaag van de bevolking.  

In de tijd van de Reformatie veroverde een literaire Franse vertaling van de Psalmen stormenderhand de harten van de Fransen (en later: alle geciviliseerde Europeanen). Ze waren van de hand van de Franse hofdichter, Clément Marot, in zijn tijd geëerd als ‘Prince des poètes français’. Hij was op dat moment reeds bekend van zijn rondeaux, puntdichten, rijmbrieven etc. Vanaf 1528  hadden zijn chansons de markt overspoeld in elkaar snel opvolgende uitgaven van Pierre Attaingnant. De zettingen waren vaak van Claudin de Sermisy of Clément Janequin (beiden hofcomponisten): De bekendste: Dont vient cela, men zong het, men danste erop,  (basse dance). Jouyssance vous donneray en het tot ver in de 17de eeuw geliefde Tant que vivray en aage florissant. Prachtige liefdesliederen, vaak melancholisch van toon (de laatstgenoemde zeker niet). Ze waren voorzien van dito melodieën, bedoeld om te zingen, thuis, meerstemmig, met een luit of een fluit erbij.  

Dat deze dichter vanaf midden jaren 1530 ook de bijbelse Psalmen onder handen heeft genomen maakt duidelijk dat tot in de hoogste kringen de kijk op het geloofsleven (kerkelijk en privé) aan het veranderen was. Vooral de zuster van de Franse koning, Marguerite de France (later: De Navarre), heeft zich enorm ingespannen voor een ‘Hervorming’ van de kerk in hoofd, hart en leden, maar liefst niet confronterend (zoals later Calvijn) en zonder dat het Franse koninkrijk zou barsten (dus rustig aan, liefst met medewerking van de bisschoppen. Anti-rooms sentiment was de Franse kerk sowieso niet vreemd). Zij zag hierin ook een rol weggelegd voor gebeden in de volkstaal. Zìj is dan ook zonder meer de muze van Marot als het om de eerste Psalmberijmingen gaat. Marot's eersteling was een vertaling in Franse versvoet en strophevorm van de eerste boetepsalm: Psalm 6 (ca. 1530). Samen met anderen die later verschenen, circuleerden ze als meditatieve teksten - gedichten - in manuscript, onder vrienden en belangstellenden.  

Toen de jurist en leke-theoloog Jean Calvin in 1538 een geestelijk liedboekje samenstelde (Aulcuns pseaulmes & cantiques mys en chant, Straatsburg, 1539), stonden daar 13 psalmgedichten in van Marot in (o.a. ook het De Profundis, psalm 130: Du fond de ma pensée). Als hij even later naar Genève verhuist, neemt Calvin dit liedboekje mee en geeft al snel ‘een geheel herziene, sterk vermeerderde druk’ uit. In 1543 duikt Marot plots op in Genève en al snel ligt er een nieuwe bundel op de tafel van de Raad van Genève (ter goedkeuring) met 50 psalmberijmingen van Marot (inclusief de lofzang van Simeon), de tien geboden, het Onze Vader, het Credo en een tweetal tafelgebeden. Het Geneefse liedboek is geboren. De teksten zijn allemaal van de hand van Clément Marot, en de melodieën zijn gecomponeerd (of wat de eersten betreft: bewerkt) door Guillaume Franc, geschoold in polyfone kerkmuziek, cantor van de Saint-Pierre. De Geneefse psalmmelodieën volgen dan ook de klassieke kerktoonsoorten. Van danaf werden Marot’s psalmgedichten gezongen in de kerk van Genève (eenstemmig, voorgezongen door de knapen van de jongensschool o.l.v. de cantor).

In de tussentijd waren er echter ook al spontaan componisten geweest die enkele van die teksten van Marot op muziek hadden gezet, polyfoon, zoals zijn chansons. Wellicht heeft Marot zelf ook nog net meegemaakt hoe aan het hof die eerste polyfone zettingen ten gehore werden gebracht door de zangers, in huiselijke - hoofse -  kring. In de muziekstijl reiken Vlaamse polyfonie en Franse chansons elkaar de hand. Rond het midden van de 16de eeuw wordt het een hype. Meerstemmige psalmzettingen (van 2- tot 12-stemmig), al dan niet met de Geneefse melodie erin verwerkt, verschijnen overal. Ze zijn bedoeld om te zingen ‘ès maisons’, aan huis, aan het hof, door liefhebbers, met of zonder muziekinstrumenten. De oudst bekende meerstemmige zetting dateert van voordat er een Een Geneefs psalter was. Het is een zetting van psalm 137 van de hand van een verder onbekende componist ‘Abel’. Ze verscheen in Lyon. De tweede verscheen in Antwerpen (een zetting van psalm 130, de psalm ‘De profundis’ van de hand van Benedictus Appenzeller. Ze staan bijna altijd - zonder dat ze als Psalm worden geïndentificeerd - in bundels met chansons. Men nam deze teksten dus waar als 'chansons spirituels'.

Naast Lyon, en Antwerpen (waar ook een zetting van Pierre de Manchicourt - kapelmeester in Doornik verschijnt, laten ook de Parijse componisten zich niet onbetuigd: Pierre Certon (1546), Clément Janequin (1549 en later nog eens). Ondertussen voorziet in Lyon Loys Bourgeois alle beschikbare Psalmen van meerstemmige zettingen (sommige simpel, als een lied, andere polyfoon, 'aux voix pareilles, convenable aux instruments' 1547). Als hij kort daarna cantor wordt in Genève is hij degene die voor de nieuwe teksten van Théodore de Bèze in het uitgebreide Psalter dat in 1551 verschijnt nieuwe melodieën componeert. Het wordt een echte hype, niet gebonden aan confessie. Midden jaren 1550 verschijnen er in Antwerpen drie bundels met complexe meerstemmige zettingen van de hand van een zekere Jean Louys, opgedragen aan de notabelen en kooplieden der stad, en de leden van het Antwerpse collegium musicum. Officieel verboden in de kerk, worden ze alom meerstemmig gezongen, met of zonder verwijzing naar de melodieën die de Geneefse componisten bij de gedichten van Marot voegden.

Als in 1562 het volledige Psalter verschijnt, moeten alle drukkers/boekverkopers die de Franse markt bedienen een joint venture sluiten om aan de vraag te voldoen. Ondanks de kerkelijke spanningen heeft  Théodore de Bèze toelating gekregen om dit eerste Geneefse Psalmboek te drukken en te verspreiden, ook in Frankrijk. En als de 16de eeuw ten einde spoedt, heeft elke zichzelf respecterend componist zich wel aan deze Franse Psalmen gewaagd. Goudimel is de bekendste (hij heeft het hele psalter meermaals getoonzet, van simpele harmonisaties tot volledige motetten, uitdrukkelijk in het voorwoord de bestemming vermeldend: om zich mee te verheugen ès maisons, niet in de liturgie), maar er waren er veel meer. En: het maakt niet uit of de musicus kerkelijk katholiek of protestant was. In deze zin kan J.Pzn. Sweelinck gevoeglijk degene genoemd worden die met zijn monumentale bewerkingen een traditie tegelijk bekroont en afsluit. Ook hij was hoogstwaarschijnlijk niet protestant.